Plancrastination.
Eerlijk, ik ben geen grote fan van zelfbedachte woorden. Des te minder als ’t verschrikkelijk ongemakkelijk in elkaar gedrukte woorden zijn. Des te meer als het originele woord, procrastination, al zo’n beest van een woord is.
Toch moet ik vaak aan plancrastination denken.
Meestal als ik voor de derde keer in een week m’n hele work management system aan het omgooien ben.
Dan denk ik dat het aan m’n systeem ligt dat ik amper werk gedaan krijg; niet omdat ik eigenlijk geen zin heb om te werken of omdat ik geen idee heb welk van de tig taken op m’n bordje ik als eerste aan moet vallen. Nee, het ligt aan het systeem. Wanneer het systeem op orde is, komt er vanzelf orde in mijn hoofd.
Dan ga ik Things, m’n to-do-app, opruimen of de Werk-folder op mijn laptop volledig anders inrichten of—en dat kan nu, nu AI coderen ook voor types als ik mogelijk maakt—een compleet nieuwe applicatie bouwen. Zit ik ineens uren aan m’n chatbot gekluisterd om dé perfecte tool aan elkaar te kletsen.
Dat is het waard, want als die app klaar is zal ik eindelijk de wereld kunnen veroveren, zal iedereen eindelijk ontdekken dat ik een uitzonderlijk karakter ben, stromen de opdrachten binnen.
Maar tot ik ’t perfecte systeem heb, zit ik hier aan m’n projectnotities en planningen te klooien; zolang ik maar niet aan het werk hoef. Ik plancrastinate de dagen aan elkaar, totdat alles compleet klopt. Daarna zijn m’n projecten aan de beurt.